Iedere editie nodigt Festival Tweetakt verschillende jonge makers uit om deel te nemen aan een ontwikkeltraject voor nieuwe makers die (ook) voor een jong publiek willen maken. De makers van dit jaar zijn Mats Hoogland en Zenzi Alwart. Beide creëerden een voorstelling die tijdens het festival in première gaat.
Mats Hoogland maakte De Doodsbange Discobal (6+), een theatraal funky liedjesprogramma over jezelf klein willen maken. Of juist heel groot. In een reeks groovy, vrolijk ontregelende liedjes onderzoekt de voorstelling wat ‘opvallen’ eigenlijk betekent. Of je ervoor moet vluchten, of het juist moet vieren.
Waarom wilde je een voorstelling voor kinderen maken?
Zelf heb ik heel levendige herinneringen aan veel van de voorstellingen die ik als kind bezocht. Nog steeds zijn een paar van de leukste en mooiste voorstellingen die ik mijn leven heb gezien familievoorstellingen, bijvoorbeeld de voorstellingen van Pieter Kramer van het RO Theater. Dat vond ik als kind geweldig, maar mijn ouders moesten ook keihard lachen. Dat vind ik heel vet.
Ik weet ook nog dat ik als kind De Meester Heeft Me Bedrogen hoorde uit De Stratenmaker Op Zee Show. Ik voelde me helemaal gezien en begrepen, en begreep niet hoe die volwassen mensen die dat programma hadden gemaakt zo goed konden begrijpen wat er in mijn wereld om ging.
Volgens mij is het heel belangrijk dat de fantasie van kinderen getraind blijft worden. Ik hoorde Jurrian van Dongen, mijn oud-docent op de toneelschool en liedtekstschrijver voor onder andere Het Klokhuis, laatst spreken over een ‘letterlijkheidsgolf’.
Jeugdtheater is eigenlijk ook een oefening in niet meteen alles dichttimmeren met logica, voor mij. In de tijden van A.I. wordt volgens mij onze eigen verbeelding een beetje kapotgeslagen. Als we alles proberen minder letterlijk nemen en onze verbeelding trainen, worden we ook empathischer, denk ik. Ik probeer altijd juist een voorstelling te maken waar kinderen juist nog vragen over stellen na afloop omdat er dingen waren die ze niet begrepen. Geen hap-slik-weg-verhaaltjes en niet elke keer met een goede afloop.
Wat spreekt je aan dit jonge publiek aan?
Ik herken mezelf eigenlijk nog best goed in kinderen. Ik leef ook vaak in mijn eigen wereldje, fantaseer veel en kan helemaal opgaan in dingen. Daardoor voel ik me vaak dichter bij een kinderpubliek staan dan bij een zaal vol volwassenen.
Dat maakt jeugdtheater voor mij een heel vrije en speelse plek om verhalen te vertellen. Ik vind het leuk om de kleine, maar emotioneel grote momenten uit het leven te vertellen. In deze voorstelling heb ik bijvoorbeeld een ballad-song over een jongen die een vest is kwijtgeraakt en dat later ineens pas realiseert. Hij vraagt zich af waar dat vest nu is, en of het nog op hem ligt te wachten.
Vorig jaar heb ik een voorstelling gemaakt over een jongen, Floris, met een heel druk hoofd. Het was een soort op hol geslagen flipperkast. Daarom besloot hij naar het hoofdkantoor te gaan, voor een nieuw hoofd. Ik vroeg aan de kinderen uit de zaal of Floris het moest doen, een nieuw hoofd nemen. En de kinderen dachten er echt over na, en discussieerden daarna nog met elkaar waarom wel of niet, of kwamen naar me toe en zeiden ‘Ik heb ook zo’n hoofd!’.
Dat vind ik heel bijzonder aan een jong publiek. Kinderen zijn vaak bereid om volledig mee te gaan in een absurd idee, maar reageren ondertussen heel eerlijk en serieus op de gevoelens die eronder liggen.
Kun je iets vertellen over je maakproces van de afgelopen weken?
Ik ben begonnen met het schrijven van liedteksten. Zonder overkoepelend thema en zonder duidelijke richting. Gelukkig had ik een schrijfcoach, Jurrian van Dongen, die me op weg hielp.
Online had ik de muziek gehoord van de band Huize Lucas. Ik had Lucas zelf één keer ontmoet op een festival maar vond de muziek zo vet dat ik besloot om te mailen. En zo geschiedde.
Ik wist dat ik iets wilde maken over niet willen opvallen. Dat is een voorstelling geworden over een doodsbange discobal die het eng vindt om te stralen en liever niet het middelpunt van de belangstelling is. Hij wil een normale bal zijn, een voetbal of tennisbal. Niet zo’n glimmend raar opvallend ding.
Zenzi Alwart maakte Brian and the Sugar Rush (7+), een komische, muzikale voorstelling in een kleurrijk snoepdecor. Over kind zijn in een reusachtige wereld waarin een overvloed aan … op je afkomt.
Hoe kun je als kind jezelf leren beschermen, tegen problemen die groter zijn dan jijzelf, en dingen die ongrijpbaar eng zijn.
Waarom wilde je een voorstelling voor kinderen maken?
Het is voor mij belangrijk om alle gevoelens te erkennen en serieus te nemen. Als kind kan je ook voor grote vuren staan, en dingen ervaren waarvan je misschien niet zo goed weet wat je ermee moet. En andersom heb ik het idee dat kinderen mij ook serieus nemen, willen weten wat ik te vertellen heb.
Wat spreekt je aan dit jonge publiek aan?
Het is zo gezellig, er kunnen allerlei dingen naar je worden geroepen als je een voorstelling speelt, dat vind ik hilarisch! Ook als iemand overdreven gaapt of boos kijkt. Kinderen zijn hun reacties en uitingen op mij aan het uitproberen. En daar luister ik graag naar.
Kun je iets vertellen over je maakproces van de afgelopen weken?
Het maken van de voorstelling vond ik best lastig. Ik wilde namelijk niet een “goede” tekst schrijven en koos voor lelijke zinnen. Maar door de tekst schaamde ik me soms te erg om het te oefenen! Het was moeilijk om achter mijn eigen keuzes te staan. Gelukkig deed ik ook zelf de vormgeving en dat vind ik altijd fantastisch om te doen, even niet als acteur bezig zijn met de ogen van het publiek. Want een voorstelling spelen blijft altijd spannend!